Het privégebruik van de bedrijfswagen is een onderdeel van het loon. Het gaat om een voordeel van alle aard. 

Bij arbeidsongeschiktheid is de werkgever in eerste instantie gewaarborgd loon verschuldigd. Tijdens deze periode behoudt de werknemer dus het recht op loon en dus ook het voordeel van de bedrijfswagen. Eenmaal de periode van gewaarborgd loon verstreken, kan de werkgever de bedrijfswagen terugvorderen. Het recht op loon is namelijk verloren gegaan. 

Bij tijdelijke werkloosheid (economisch of wegens overmacht) ontvangt de werknemer onmiddellijk een werkloosheidsuitkering ten laste van de RVA. Het recht op loon gaat dus onmiddellijk verloren. De werkgever kan dan ook beslissen om de bedrijfswagen terug te vorderen vanaf het begin van de periode van tijdelijke werkloosheid, of vanaf een later moment.

Moet de werknemer de bedrijfswagen inleveren, dan wordt het voordeel alle aard van de bedrijfswagen ook niet langer belast. 

Wanneer de werknemer het werk hervat, herwint de werknemer het recht opnieuw loon en krijgt hij dus ook opnieuw een bedrijfswagen ter beschikking. Het voordeel alle aard wordt vanaf dat moment opnieuw belast. 

Het verplicht inleveren van de bedrijfswagen tijdens een ziekteperiode of een periode van tijdelijke werkloosheid kan uiteraard voor verwarring en discussie zorgen. Verifieer zeker de bepalingen van de arbeidsovereenkomst, ‘car policy’ of het arbeidsreglement of deze regels vastleggen over de inlevering van de bedrijfswagen bij schorsing van de arbeidsovereenkomst. Zijn hieromtrent nog geen regels vastgelegd, betekent dit niet dat de werkgever de bedrijfswagen niet mag terugvorderen.